Stichting ASLI
Algemene Stijlleiders, Leraren en Instructeurs

een culturele belangenorganisatie in de Pencak Silat Indonesia

Terug naar verslagen
Voorwoord


Het ontstaan en de continuering van de Pencak en Silat is een samenloop van de omstandigheden binnen de geschiedenis van Indonesia. Hierdoor kan niet letterlijk worden vastgesteld wanneer de Pencak en Silat als verdedigingskunsten van het volk zijn ontstaan. In die tijd sprak men alleen van: “Men verdedigt zich,” maar de namen Pencak en Silat bestonden nog niet.

Door een samenloop van omstandigheden binnen de geschiedenis van Indonesia ontstond dus een verdedigingstactiek die later in de moderne tijd Pencak en Silat werd genoemd. De Indonesiër had namelijk in de loop van de geschiedenis steeds met indringers te kampen. Om deze reden is het als beoefenaar van de Pencak en Silat belangrijk om op de hoogte te zijn van de vroege Indonesische geschiedenis. Guru Besar/Pendekar Bapak Ph. J.C. Tönjes heeft deze in 1981 voor ons opgesteld, in het toenmalige kwartaalblad van de vereniging. Deze versie is bewerkt door drs. M. Govaarts, waarnemende secretaris van Stichting ASLI, in overleg met dhr. Tönjes.

De geschiedenis tot ca. 600 na Christus wordt beschreven in deel 1. Deze wordt in deel 2 uitgebreid met een beschrijving van de periode van 600 tot ca. 1500.  

Hierna komen onder andere het VOC-tijdperk, de ontwikkelingen na de onafhankelijkheid en de huidige ontwikkelingen van de Pencak en Silat aan de orde.  

In de hiernavolgende inleiding legt Guru Besar/Pendekar Bapak Ph.J.C. Tönjes het hoe en waarom uit van het op schrift stellen van de achtergronden der Pencak en Silat.

Inleiding         Paleolitische periode       Dong-`S On Dynastie     Han Dynastie
  
Periode A            Periode B           Periode C            Periode D      
             Periode E             Periode F             Periode G

Inleiding
Het op schrift stellen van de achtergronden der Pencak en Silat is bedoeld om: 

  1. Alle leerlingen een begrip te laten vormen van de betekenis van Pencak Silat en op deze wijze zoveel mogelijk te vermijden dat leerlingen doelloos aan deze verdedigingskunst (Geen gevechtssport dus) deelnemen, waarbij geduld en verdraagzaamheid een grote rol spelen, met als belangrijkste basis in deze leer: het begeven tot een deel van de Natuur.
  2. Een bijdrage te mogen leveren aan belangstellenden, die het nodig achten de door hen gebezigde collecties betreffende diverse filosofieën der P.&S. Indonesia aan te vullen.

Daar ontwikkelingsperioden in en van welk land dan ook, geheel of gedeeltelijk op culturele en religieuze aspecten haar invloeden uitoefenen, is het mijns inziens onvermijdelijk de Indonesische geschiedenis hierin te betrekken. Juist omdat de geschiedenis ons leert dat de oorlogen en wederzijdse veroveringen en onderwerpingen in de prehistorische tijdperken tussen buurlanden onderling steeds gepaard gaan met het plotseling verschijnen van op die momenten voor hen nieuwe gevechtswapens, gevechts- en verdedigingsmethoden, met zeer zeker religie als één van de belangrijkste achtergrond, waardoor wederkerige noodzakelijke aanpassingen werden gedaan.

Binnen de geschiedenis worden verschillende filosofieën aangehangen. Ik ben mij ervan bewust dat enkele ontwikkelingsperioden der Indonesische geschiedenis door mij zullen worden overgeslagen. Mijn verontschuldigingen hiervoor. Het hierna volgende zal derhalve gedeeltelijk gebaseerd zijn op persoonlijke ervaringen tijdens de jaren 1938 tot en met 1964 in Indonesië. En vanaf 1964 tot en met 2000, waarin ik achtereenvolgens lid ben geweest van de BPSI (Bond Pencak Silat Indonesia), de NAPSI (Nederlandse Associatie Pencak Silat Indonesia in Nederland), welke een afsplitsing was van de BPSI (Bond Pencak Silat Indonesia), de NPSB (de Nederlandse Pencak Silat Bond, die nu nog bestaat en een voortzetting is van de NAPSI (Nederlandse Associatie Pencak Silat Indonesia), en de Dewan Sesepuh (de Raad van Ouderen).

De volgende beknopte Indonesische geschiedenis, die leidt tot de ontwikkelingen van de P. & S. Indonesia, is aangehaald vanaf de Palaeotische en Neolitische tijdperken. Naar mijn bescheiden mening kunnen deze gegevens ons tot een reëler begrip brengen en een duidelijker beeld geven hoe het volkerenverkeer wegens opstanden en onderwerpingen onderling (buurlanden, eilanden, provincies, steden en dorpen) elkander beïnvloedde, hetzij op het vlak van gevechts- en verdedigingskunsten in het algemeen (leger) en Pencak & Silat in haar Ware Zin in het bijzonder, waarbij religie als achtergrond steeds een belangrijke plaats innam. Men mag daarom niet vergeten dat religieuze aspecten (Animisme, Antologie, Hindoeïsme, Boeddhisme, Christen, Islam) tot op heden nog steeds (in onze stelling als “Vervlochten Religie”) de belangrijkste rol spelen in het dagelijkse leven van de Indonesische volkeren en hiervan afstamt ook de meditatieve stelling van onze vereniging.

Onder andere zullen als belangrijkste perioden beknopt worden aangehaald, de Dynastie van de Koninkrijken van “Mataram”, “Majapahit” “Sriwijaya”, “Banten (Bantam)” en “Pejajaran”.

De geschiedenis vangt aan bij het prehistorisch tijdperk, waarbinnen de koninkrijken van Mataram en Majapahit een belangrijke rol speelden.

Alvorens dit te lezen, verzoek ik u lezers beleefd, al uw denkwijze in die tijden te willen voorstellen ten einde onnodige tegenstrijdige opvattingen en verwarringen te vermijden bij het nader doornemen of bestuderen van de filosofie zelf (in haar ware zin), die ik als laatste, na de beknopte uiteenzetting van de Indonesische Geschiedenis, heb geprobeerd zo duidelijk mogelijk op te stellen.

Naar boven

Paleolitische periode en Neolitische periode

Palaeotische periode (ca. 15.000 v. Chr.)
De primitieve mensen in deze tijd waren voor jacht en verdedigingsdoeleinden afhankelijk van leeghandige gevechts- en verdedigingstechnieken, welke werden ontwikkeld aan de hand van natuurlijke bewegingen (ontwijken en tijdig inkomen). Deze ontstonden onder andere door te bestuderen hoe dieren of mensen onderling aanvielen en verdedigden. De tijd en ontwikkeling leerden hen daarna in het Germaanse tijdperk hoe gebruik te maken van stokken, speren en stenen voor zulke doeleinden. Op het gebied van religie werd een animistisch geloof beleden, wat betekent dat de mensen geloofden in de Natuur. Tot op heden is dit nog ergens diep in de bergstreken of oerwouden terug te zien, zoals aan de kubus in Sumatra, de Dayaks in Borneo, de Papuas in Irian en de Tenggerezen in het Tenggergebergte.

Neolitische periode (ca. 15000 – 3000 v. Chr.)
Gevechts- en verdedigingstechnieken en tevens gevechtswapens waren in het Neolitische tijdperk sterk beïnvloed door de komst van zogenaamde Indringers uit naburige landen, zoals Indochinezen, Annamieten, Laosanen en mogelijk ook Burmanen. Deze volkeren hielden allen hun religieuze handelingen aan, naast de gevechtsmethoden en in die tijd meer Moderne Gevechtswapens. Dit veroorzaakte onder andere dat de eerder gevestigde Hindu Religie Haar invloed verloor, want er was reeds een vervlochten religie Animisme (Antologie) Hindoeïsme ontstaan. Belangrijk om te onthouden is dat de bovengenoemde naaste buurlanders in die periode kennis overdroeg aan de nog zeer Primitieve Indonesische Bevolking in onder andere het vervaardigen van in die tijd moderne Gevechtswapens en gereedschappen van ijzer (IJzererts).

Naar boven

Dong-S' On Dynastie (ca. 500 v. Chr.)

De komst van de Dong-S’Ons gaf alweer nieuwe kennis tot ontwikkeling met zich mee. Dit tijdperk kan als één der belangrijkste tijdperken worden aangemerkt, vanwege het ontstaan van de Keris Majapahit en de Keris Mataram uit het Rijk van Majapahit en het Rijk van Mataram. Uiteraard ging ook dit ontwikkelingsproces ongemerkt gepaard met Religieuze en Mystieke Aspecten. De Keris Majapahit en de Keris Mataram zijn van legering (ijzer-erts) vervaardigde soort dolken, soms spitslopend (de oude keris Mataram), soms als een slang naar een punt lopend (de keris Majapahit en later ook de keris Mataram). De volgens koudsmeed vervaardigde keris werd gevormd naar het karakter en de eigenschappen van de eigenaar.

Koudsmeed wil zeggen dat de maker met blote handen het ijzererts vormde, waaraan een grondige meditatie vooraf ging. Dit is ongeveer te vergelijken met de wa-pens die gemaakt werden in de tijdperken van Holtstein-Denemarken en Skandinavisk.

Naar boven

Han Dynastie (van de 1ste t/m de 6e eeuw)

De komst van de Han Dynastie in het Noordelijk deel van Sumatra en Borneo (Tapanuli-Toraja-Dayak gebieden), kan worden genoteerd als de eerste en de oudste belangrijke hoogculturele Chinese invloed. Zij gingen zelfs vanwege de aanwezige ontdekte grondstoffen voort en verbreidden zich tot andere gebieden van Sumatra en Java (van de 7e t/m de 10e eeuw).

Deze periode bracht nieuwe kennis omtrent het vervaardigen van keramische potten en pannen, vanwege de rijkdom aan grondstoffen. Ook deze periode ging onvermijdelijk gepaard met religieuze en mystieke aspecten volgens één der Boeddhistische  Religies. Er was dus alweer een nieuw vervlochten religie ontstaan onder de Indonesische bevolking, namelijk het Boeddhisme-Hindoeïsme met sporen van het Animisme.

Tot zover dus deze verkorte opstelling van ontwikkelingsperioden der Cultuur en Gevechts- en Verdedigingskunsten in het algemeen in de tijd der Primitieven, waarin het Indonesische volk zich steeds had moeten verdedigen tegen indringers en zich had moeten aanpassen aan de steeds nieuwe wisselende verschillen van methoden in gevechtstechnieken en gevechtswapens. 

Moge dit bijdragen tot een reëel begrip van de Pencak Silat en tevens een conclusievormende bijdrage leveren dat Pencak Silat, in tegenstelling tot sommige beweringen dat Pencak & Silat Indonesia Identiek dan wel synoniem of wel afkomstig zou zijn van andere Oosterse Gevechts- en Verdedigingskunsten zoals China, Korea, Japan, enz. De geschiedenis heeft ons daartoe niet kunnen leiden. In tegendeel, de Indonesische Geschiedenis heeft ons laten doen overtuigen dat binnen de oudheid des Mensdom ook de oudheid der Indonesische Gevechts- en Verdedigingskunsten bestaat, inbegrepen de Pencak & Silat Indonesia.

Samen met de Indonesische Taal en Volksdansen kunnen de Pencak en Silat beschouwd worden als creaties van het Indonesische Volk, welke parallel lopen met de vooruitgang van de ontwikkelingen en van de mens zelf. Dat culturen van welk volk dan ook elkaar beïnvloeden (vooral Indonesia met haar duizenden eilanden) is zeer zeker denkbaar en logisch. Hierdoor is in de loop der tijden een samenhang van omstandigheden veroorzaakt, welke het noodzakelijk achtte om aanpassingen te verrichten. Of anders gezegd: De noodzakelijkheden die de omstandigheden (vreemde volkeren die binnendringen) met zich meebrachten (dus het verdedigen tegen vreemde volkeren), hebben het volk tot een overeenstemming gebracht om aanpassingsbeoefeningen (verdedigingskunsten) aan te wenden.

Naar boven

Periode A: Çailendra Dynastie 8e t/m 9e eeuw na Christus

Çaila = Berg; Indra = Koning/Heer.

Deze Buddhistische Dynastie in de 8e t/m 9e eeuw na Christus regeerde over delen van Java en Sumatra (Midden Java en Sriwijaya, thans Palembang), zelfs over delen van Kataha en Malakka (zie Borobudur geschiedenis, zie pag……). In ca. 860 na Christus verplaatste Çailendra noodzakelijk haar Machtzetel van Midden Java (thans Jogyakarta naar Zuid Sumatra Sriwijaya (thans Palembang), door snel oprukkende/opdringende soldaten van Mataram. Zie periode B: Eerste Midden Javasche Mataramrijk.

Naar boven

Periode B: Mataramrijk ca. 860 t/m 1700 na Christus

Midden Javaanse Koninkrijk. Ook op Lombok waarvan de Hoofdstad Mataram is geheten 

Mataram is een Midden Javaans Koninkrijk met twee bloeiperioden. De eerste bloeiperiode is het Hindurijk, de tweede het Islamrijk.  

Het op Lombok en Bali gevestigde Hinduvorstenrijk Mataram (Sultanaat) had deze tweede bloeiperiode niet ondervonden en was gebleven tot de komst van de V.O.C. te Lombok in ca. 1894 na Christus, waarna de Sultan werd verbannen. In ca. 860 na Christus ontstond namelijk het eerste Mataramrijk (Hindurijk), een Midden Javaans Hindurijk, dat de Çailendra Dynastie in de gebieden van Midden Java (Jogyakarta) dwong, haar plaats te ontruimen voor een Sivaitisch Vorstenrijk. Noodzakelijk verplaatste Çailendra haar Machtzetel naar de gebieden van Sriwijaya (Palembang). In ca. 900 na Christus veroverde Mataram geheel Midden en Oost Java. Op verzoek van de Brahmanen in ca. 1010 na Christus nam Airlangga, de vorst van Oost Java (1010-1040 na Christus) , de kroon aan en regeerde dit Hindurijk voort.

Naar boven

Periode C: Dynastie van “Singâsariel” ca. 1220 t/m 1292 na Chr.

Dynastie “Singâsariel” (Singhasari) of TumapHindurijk op Oost-Java .

Dit rijk werd gesticht door een opstandige bekwaamde Gouverneur van Dâhâ (Kediri) genaamd “Sri Redjasa”, die diende onder Koning Ken Arok, en naar wie ook, aldus Sri Redjasa, deze Dynastie werd genoemd: Sri Redjasa of wel Rangah Redjasa Sang Amurwabhumi (1220-1292 na Christus).

Ik sla enkele perioden van opvolgende regerende vorsten over, tot aan de vijfde en laatste vorst van Singasari en wel Koning Kartanegara. Overgeslagen worden, achtereenvolgens, de perioden 1247-1248 na Christus Koning Anusapati of wel Nusapati en Anusanatha; 1248-1249 na Christus Koning Tohdjaja; 1249-1268 na Christus Koning Sri Wisjnuwardhana, genoemd Ranggawuni. 

Koning Kartanegara, de vijfde en laatste koning van het Buddhistische Rijk Singasari Tumapel was een man met een samengesteld, wispelturig, zorgeloos en ver\chtlustig karakter. Hij ondernam veel veroveringstochten. Door veroveringen op veroveringen onder zijn bewind, breidde de Dynastie van Singasar snel uit over delen van Midden en Oost Java; Zuid en Noordwest deel van Sumatra; Madura, Bali, Lombok, Ceram, Tandjungpura (Zuidwest Borneo) en zelfs tot Pahang Maleisië. Zijn daden gingen zelfs zo ver dat hij de wel bekende Handelskoning van Tatar, Keizer Chubilai, had beledigd, en daardoor de reeds lange tijd onderhouden handelsbetrekkingen tussen Java en China verbrak.

Intussen broeide door zijn gedraging een onrustige situatie in zijn bestuursgelederen. In ca. 1292 na Christus achtte een Vazal van de koning te Daha (thans Kediri), genaamd Djajakatwang de tijd te zijn gekomen om hem uit de weg te ruimen. Alhoewel zijn zoon, genaamd Addharadja, met één van Koning Kartanegara’s dochters trouwde. Dit gebeurde op listige aanraden en adviezen van Dahaer Arja Wiraradja. Deze Rijksbestuurder was eerder door koning Kartanagara zelf wegens verraad naar Madura verbannen. Ondanks dat hij was verbannen, werd hij wegens zijn goede diensten toch als landvoogd te Soemenep, Madura, aangesteld.

Dahaër Arja Wiraradja wist heel goed dat Kartagenara’s Keurtroepen, die sinds 1275 voor expedities naar Sumatra gingen, nog in het Noordwestelijk deel van Sumatra zaten. Van deze gelegenheid wilde hij gebruik maken. Djajakatwang won de strijd. Koning Karanegara werd vermoord en tegelijkertijd eindigde de Dynastie van Singasari.  

Intussen vluchtte een schoonzoon van Karanegara, genaamd Raden Widjaja (Kleinzoon van Narasinga), met zijn gezin en enkele vertrouwelingen naar Madura. Hij wilde hulp van zijn grootvader, Landbestuurder Dahaër Arja Wiraradja, om wraak te nemen op Djajakatwang, de moordenaar van zijn schoonvader. Hij wist echter niet dat deze medeschuldig was aan de moord op zijn schoonvader. 

Maar Dahaër Arja Wiraradja hield zijn gewetensgevoelens goed verborgen. Hij ontving zijn kleinzoon met zijn gezin heel hartelijk. Hierna gaf hij ook zijn volle medewerking om Djajakatwang te ontruimen. Nu waren dus zowel Koning Karanegara als Djajakatwang gestorven en bleef Dahaër Arja Wiraradja over.

Naar boven

Periode D: Madjapahit ca. 1293 t/m 1478 na Christus

Het Javaanse Hindurijk

Madjapahit is een gebied in het Zuid Westelijk deel van Mojokerto (Oost-Java). De betekenis is letterlijk: Bittere vruchtboom. “Madja” betekent “boom”; “Pahit” betekent “bitter”. In de vorige paragraaf kwam dus naar voren  dat Dahaër Arja Wiraradja zijn hulp aan Raden Widjaja verleende. En deze bedrieglijke en listige Dahaër Arja Wiraradja onderhield intussen goede betrekkingen tussen Java en China, met keizer Chubilai. Hij slaagde erin Chinese keurtroepen via het noordelijk deel van Oost-Java (Tuban), Djajakatwangs legioen aan te vallen. 

Intussen was het Madurese leger, gevormd door Raden Eidjaja en Dahaër Arja Wiraradja, op een plaats aangekomen ten zuid westen van Mojokerto. Hier gingen zij uitrusten. Een van de soldaten plukte van een boom een vrucht en beet erin. De vrucht smaakte bitter. De soldaat liet anderen ook proeven. Hierna zijn zij van deze plaats uit tegen het legioen van Djajakatwang ten strijde getrokken. Na de overwinning van het Madurese leger, noemde Raden Widjaja deze plaats voortaan “Madjapahit”. Hij werd uitgeroepen tot de eerste vorst van Madjapahit (van ca. 1292 t/m 1393 na Christus), onder de naam: Koning Kertaradjasa Djajawarddhana. 

Aan al zijn trouwe helpers toonde Raden Widjaja, die nu koning Kertaradjasa Djajawarddhana was geworden, zijn dankbaarheid. Allereerst had hij Dahaër Arja Wiraradja, landvoogd te Soemenep Madura, de aanzienlijkste positie in het rijk gegeven na hem. Wiraradja kreeg als Rakriyan Mantri het Oostelijk deel van Java, namelijk Lumajang en omstreken te besturen. Ook Sora en Nambi, zonen van Wiraradja, en anderen die de koning tijdens zijn zwervende bestaan hadden bijgestaan, werden met hoge posten beloond.

Het dorpshoofd van Kedadu, die Raden Widjaja tijdens zijn vlucht had verborgen, kreeg erfelijk alle gronden van Kedadu. Aan Rangga Lawé werd het ambt Rijksbestuurder beloofd. Dit had later nare gevolgen.

Koning Kertaradjasa Djajawarddhana, getrouwd met een dochter van wijlen vorst Kertanagara, die hij, zoals in de vorige paragraaf beschreven, zelf had laten vermoorden, trouwde ook met de overige drie dochters van deze vorst. Hij was nu dus getrouwd met alle vier de prinsessen Kertanagara. De namen van deze prinsessen waren:

  1. Paramesjwari Triboewana
  2. Mahadewi alias Dijah Soehita
  3. Pradjnaparamita
  4. Gajatri

De derde vrouw, Pradjnaparamita, speelde de grootste rol gedurende zijn regeerperiode. De koning trouwde daarna ook als bijvrouw (Selir), een Sumatraanse prinses, genaamd Darah Petah, van wie de officiële naam Sri Indreswari was.  

Gedurende het bewind van de koning deden zich verder geen uitbreidingen meer voor. Met China waren er geen moeilijkheden, omdat Chubilai’s kleinzoon in 1294 de macht overnam van zijn grootvader en een ander handelspolitiek stimuleerde.

Koning Kertaradjasa zag het liefst dat een prins hem de troon zou opvolgen. Zijn huwelijken met de vier prinsessen van koning Kerta hadden hem echter geen zoons geschonken. Daarom beëdigde hij zijn zoon Prins Kala Gêmêt, uit het huwelijk met Sri Indreswari, op éénjarige leeftijd als troonopvolger. Deze voorzorgsmaatregel veroorzaakte na zijn dood (1309 n. Chr.) problemen, omdat Prins Kala Gêmêt niet uit een wettig Singasarisch vorstenhuis afkomstig was. Bovendien was hij een zoon van een bijvrouw. Maar het lukte de familie niet om prins Kala Gêmêt van de troon te stoten.

Naar boven

Periode E: Madjapahit ca. 1309-1328 na Chr.

Voortzetting Javaanse Hindurijk  

Prins Kala Gêmêt nam dus de macht van zijn vader over en was de tweede koning van Madjapahit onder de naam Koning Djajanegara. Hij was toen 15 jaar. Zoals voorspeld ontstond direct een opstand, welke geleid werd door eveneens eerder verdachte man Ranga Lawé. Maar Ranga Lawé had geen succes en moest het met bijna al zijn gezellen met de dood bekopen. De oude Dahaër Arja Wiraradja, die nog in leven was, bestuurde het oostelijk deel van Java (Lumadjang) en woonde toch in Madjapahit. Hij merkte dat de jeugdige vorst onder invloed was van Mahapati en voelde zich niet meer op zijn plaats. Daarom vroeg hij om verlof om in zijn gewest Lumadjang te verblijven. Nambi, een der zoons van de oude Dahaër Arja Wiraradja, die eveneens op een goede kans wachtte om Madjapahit te verlaten, kreeg op een gegeven moment deze gelegenheid, toen zijn vader ziek lag in Lumadjang, in ca. 1321 na Chr.. In het gebied van zijn vader aangekomen, bouwde hij een leger op te Pedjarakan onder zijn eigen Madurese volk die zijn vader als voorzorgmaatregel uit Madura in zijn gewest had laten vestigen. Koning Djajanegara vernam dit en trok met zijn leger om de onder Nambi geleide opstand te bedwingen. Hij verloor echter de strijd tegen Nambi’s leger, waarna de Madjapahiters verslagen terugkeerden. Na de dood van zijn vader Wiraradja, ook in 1321, werd het gebied door de oppermachtige Mahapati, die een grote invloed had op koning Djajanegara, weder geheel bij Madjapahit ingelijft. Maar Mahapati groef niet lang daarna zijn eigen graf. Hij werd vermoord door het volk wegens het inbrengen van valse beschuldigingen.  

Daarna kwam op een gegeven moment een zekere “Koeti”, die van de gelegenheid gebruik wilde maken om koning Djajanegara van de troon te stoten. Koning Djajanegara werd op aanraden van Gadja Mada gedwongen zijn residentie voor een tijd te verlaten. Gadja Mada, een der hoogste ambtenaren van de koning en officier van de wacht, gaf het volk te kennen dat de koning reeds dood was, om een einde te maken aan de hachelijke omstandigheden. Het volk bleek toch trouw te zijn aan het vorstenhuis, alhoewel het niet wist op wie het kon rekenen. Koeti werd door het volk omgebracht, omdat het hem niet als vorst wenste.

Koning Djajanegara kwam dankzij Gadjah Mada weder op de troon en Gadjah Mada werd bevorderd tot Apatih van Kahuripan en later benoemd als rijksbestierder van Kediri. Djajanegara probeerde zijn beide halfzusters te huwen, ter voorkoming dat zij met bekwame vooraanstaande rijksgenoten zouden huwen en hierdoor aanspraak maakten op de troon. Ondanks zijn verbod op huwelijksaanzoeken van anderen, lukte hem niet zijn beide halfzusters te huwen. Hij werd hierdoor ziek. Door een wondarts, een zekere “Tansjah” werd hij hierna te bed doodgestoken in ca. 1328 na Chr. 

De as van koning Djajanegara werd op verschillende plaatsen bijgezet en er werden zowal Sjiwabeelden als een Buddhabeeld van koning Djajanegara opgericht. 

De Ksatria’s (trouwe aanhangers der Majapahits) kwamen terug in Madjapahit, vanwege de oudste dochter van koning Kartaredjasa, namelijk prinses Bhreng Kahipuran. Zij werd vorstin van Madjapahit, onder de naam vorstin Djajawisjnuwarrddhani, derde vorstin van Madjapahit. Zij trouwde met Raden Tjakradhara, die daarna wegens het huwelijk de naam doren Kertawarddhana. De jongste koningsdochter, prinses Bhreng Daha trouwde met Raden Kuda Merta, bekend als Widjajaradjasa van Wengker.

Naar boven

Periode F: Madjapahit ca: 1328-1334 n. Chr.

De voortzetting van het Hindurijk Madjapahit Onder de derde vorstin van Madjapahit Djajawisnyuwarddhani of Tribuwanottoengadewi Djajawinyuwarddhani (Voogdes van Hajam Wuruk).

De plaats van Djajawisnyuwarddhani op de troon was bepaald door de beroemde koningsvrouw Radjapatni, omdat de troon dan weer door het ware vorstenhuis Madjapahit kon worden geregeerd. Gedurende haar regeerperiode deed slechts één opstand van de Sadeng bevolking voor. Deze werd danks zij rijksbestierder Gaja Mada en Kertawarddhani (echtgenoot van de vorstin) onderdrukt. In 1333 na Christus. Nu was de rust teruggekeerd over de gebieden van Madjapahit. Hierna echter werden de veroveringen en hervat, onder leiding van de beroemde rijksbestierder Gadjah Mada. Tevens vonden herveroveringen plaats van eerder door koning Kertanegara (1270) veroverde gebieden tot aan Malaka. Hij veroverde geheel het Oostelijk deel van Indonesië tot Sumatra, zelfs tot Pahang Malaka-Toemasik (Singapore). Tijdens zijn heroveringen in de gebieden van Malaka was Gadja Mada gebleken dat de koning van Malaka Toehan Djanaka, alias Sri Marmadewa onder koningsnaam Adji Mantrolot, een zoon was van een Sumatraanse prinses genaamd Dara Djingga. Zij was een oudere zus van prinses Dara Peta Sri Indreswari, de bijvrouw van koning Kertaradjasa. Gadja Mada (de onstuimige olifant) werd voorts benoemd tot procureur generaal, en moest zorgdragen voor de handhaving van de veroveringen der regering. Dus de roem van het rijk was in feite aan Gadjah Mada te danken.

In 1334 na Chr. kreeg vorstin Djayawisnjuwarddhani een zoon die de naam “Hajam Woeroek” kreeg (Jonge Vechthaan), die later de troon opvolgde als vierde vorst van Madjapahit onder de naam van koning Sri Radja sanagara Madjapahit.

Voordat Hajam Woeroek de troon op 16-jarige leeftijd aanvaardde stierf zijn pleegmoeder, de beroemde grote Radjapatni. De Sumatraanse vorst Andijawarman die een rechtstreekse afstammeling is van Radjapatni, kwam toen over en schonk haar een “Komend verlossersbeeld” uit Mandjoesjri. De betrekkingen tussen de volken van Sumatra en Madjapahit werden hierdoor hechter.

Naar boven

Periode G: Madjapahit ca: 1350-1389 n. Chr.

Voortzetting van het Rijk Madjapahit, onder de vierde vorst van Madjapahit Hajam Woeroek of Sjri Radjasanagara 

Hajam Woeroek aanvaardde de troon op 16-jarige leeftijd. De oppermachtige persoon in zijn regering was nog steeds Gadjah Mada Procureur Generaal die zelfs soms als rechter optrad indien een geval niet eerlijk werd behandeld.

Tijdens de regeerperiode van koning Hajam Woeroek werden geen veroveringen meer verricht en bleven ook de gebieden van Pasoendan (Pedjadjaran) en Banten buiten schot vanwege hun tegenstand. Deze stilstand van veroveringen kwam zeer zeker tot stand op aanraden van Gadjah Mada. Deze werd toen benut om gevechtsverdedigingsmethoden en aanvallen tactisch en effectief vast te leggen, zowel groepsgewijs (militair) als individueel (Pencak Silat). Tot de elfde eeuw was deze namelijk nog zeer ongeordend. Deze gevechtsverdedigingsmethoden werden slechts onder de betrouwbare hoge ambtenaren en sultans van het Vorstenhuis Madjapahit gehouden.

Het is niet uitgesloten dat de ondervonden gevechtstechnieken tijdens de veroveringen van residentie tot residentie en van eiland tot eiland een grote bijdrage hebben verleend, om een geordend systeem te vormen en vast te leggen, waarbij zeker ook de wapens in vorm en model werden aangepast. Op feesten werden later dergelijke gevechts- en verdedigingskunsten gedemonstreerd. Het is niet onwaarschijnlijk dat bepaalde gevechtstechnieken van Sumatra in de Pencak zijn ingelast, vanwege de lange oorlogen en verblijven van de Madjapahitters te Sumatra. De naam Silat is volgens Sumatraans dialect Sile (vrije beweging tot inkomen en toeslaan). Pencak komt af van het Javaans dialect Mencak, wat betekent: springend verplaatsen (gemotiveerd driehoek-verdedigingsloop). 

Koning Hajam Woeroek Sri Radjasanagara trouwde tegen de wil van Gadjah Mada met een prinses uit de Pasundan, namelijk met de dochter van Prabu Wanggi (Prinses Tohaân). Ze stierf niet lang nadat ze hem een zoon had geschonken. Omdat ze een Selir was, had de zoon geen aanspraak op de troon.

Einde

Terug naar verslagen

Naar boven